Op het gezegde “You never get a second chance to make a first impression” valt ook in de popmuziek weinig af te dingen. John Mellencamp maakte bijna 35 jaar geleden (!) een valse start met het onder de naam Johnny Cougar uitgebrachte Chestnut Street Incident en wordt daar tot de dag van vandaag op afgerekend. Nadat Mellencamp zich had omgedoopt tot John Cougar bleef het overigens nog een paar jaar kwakkelen met platen die het best kunnen worden getypeerd als overbodige en bijzonder zwak uitgevoerde Springsteen rip-off’s, maar met het in 1982 verschenen American Fool (met hierop de ook in Nederland uitgebrachte en redelijk succesvolle single Jack & Diane) liet Mellencamp voor het eerst horen wel degelijk over talent te beschikken. Met het in 1983 verschenen Uh-Huh maakte Mellencamp, die zich nog even John Cougar Mellencamp noemde, vervolgens zijn eerste echt goede plaat en sindsdien staat de Amerikaan garant voor kwaliteit, wat overigens prachtig is te horen op de zeer recent verschenen verzamelbox On the Rural Route 7609. Hoewel de kwaliteit van zijn platen de afgelopen 25 jaar behoorlijk constant is gebleven, is er in muzikaal opzicht flink wat veranderd. Waar Mellencamp in zijn jonge jaren vooral richtte op radiovriendelijke rockmuziek, maakt hij met name de afgelopen jaren platen die zich voornamelijk bewegen binnen de grenzen van de Amerikaanse rootsmuziek. Het onlangs verschenen en fraai verpakte No Better Than This is hier een goed voorbeeld van. Het door niemand minder dan T-Bone Burnett geproduceerde No Better Than This is in meerdere opzichten een bijzondere plaat. Zo werd de plaat opgenomen op diverse plaatsen met historische waarde (waaronder de fameuze Sun Studios en de hotelkamer waarop blueslegende Robert Johnson een song opnam) en werd voor deze opnamen een stokoude (en dus mono) bandrecorder gebruikt. Bij de opnamen liet Mellencamp zich begeleiden door ervaren studiomuzikanten (onder wie stergitarist Marc Ribot en drummer Jay Bellerose) en had producer T-Bone Burnett, zoals voor hem gebruikelijk, een stevige vinger in de pap. Rootsinvloeden staan centraal op Mellencamp’s nieuwe plaat en het betreft rootsinvloeden in de ruimste zin van het woord. No Better Than This citeert rijkelijk uit de archieven van de country, bluegrass, folk, blues en gospel, maar draait ook zijn hand niet om voor rock ’n roll, rockabilly en rootsrock. De instrumentatie is stemmig en veelzijdig en past prima bij de uitstekende zang van Mellencamp, die zich zo langzamerhand heeft ontwikkeld tot een singer-songwriter in de buitencategorie. No Better Than This laat zich beluisteren als een eerbetoon aan muzikale helden uit het verleden, maar bevat ook nadrukkelijk het stempel van John Mellencamp. Een ieder die Mellencamp nog kent uit de vroege jaren 80 zal ook bij Better Than This op enig moment weer moeten denken aan de vreselijke platen die Johnny Cougar ooit maakte, maar bij een jong publiek verdient John Mellencamp een onbevooroordeelde eerste indruk met zijn prachtige nieuwe plaat, waarmee het oude gezegde uit de eerste zin hopelijk toch nog enigszins gelogenstraft kan worden. Erwin Zijleman
In de herfst van 2004 horen we voor het eerst van de uit Nashua, New Hampshire, afkomstige singer-songwriter Ray LaMontagne. Zijn door Ethan Johns (Ryan Adams, Tift Merritt, Kings Of Leon) geproduceerde debuut Trouble wordt de hemel in geprezen door de critici en wordt omhelst door liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek. Trouble is zes jaar na dato nog altijd een briljante plaat; iets wat eigenlijk ook, en misschien zelfs nog wel in sterkere mate, geldt voor opvolgers Til The Sun Turns Black uit 2006 en Gossip In The Grain uit 2008. Op alle drie de platen staan de geweldige stem van Ray LaMontagne en de productionele vaardigheden van Ethan Johns centraal, maar ze klinken alle drie anders. Waar Trouble aansluit bij de gangbare rootsy singer-songwriter platen, laat Til The Sun Turns Black een atmosferisch en indringend geluid horen, terwijl Gossip In The Grain juist kiest voor een licht en veelzijdig geluid dat alle kanten op schiet. Op het samen met LaMontagne’s band The Pariah Dogs gemaakte God Willin' & The Creek Don't Rise is voor het eerst geen rol weggelegd voor Ethan Johns, maar de fantastische stem van Ray LaMontagne is gelukkig gebleven. Ook op God Willin' & The Creek Don’t Rise verenigt de Amerikaan weer het beste van Sam Cooke, Van Morrison en Tim Buckley en maakt hij indruk met even rauwe als soulvolle vocalen. De kwaliteit van de band is eveneens dik in orde. Pedal steel virtuoos Greg Leisz speelt zoals altijd de sterren van de hemel, gitarist Eric Heywood (Son Volt) kan in vele genres uit de voeten en de uit sessiemuzikanten Jay Bellerose (drums) en Jennifer Condos (bas) bestaande ritmesectie combineert degelijkheid en inventiviteit. De kwaliteit van de songs is zoals altijd op niveau, waardoor ook God Willin' & The Creek Don't Rise de boeken in kan als een prima Ray LaMontagne plaat. Het bij Ray LaMontagne thuis opgenomen God Willin' & The Creek Don't Rise is een ontspannen plaat met songs vol nogal uiteenlopende rootsinvloeden. De plaat opent met een flinke dosis funk, maar concentreert zich hierna vooral op invloeden uit de folk, country en soul; invloeden die ook op Trouble centraal stonden. Ondanks alle kwaliteit mist God Willin' & The Creek Don't Rise een deel van de magie van zijn voorgangers. Waar de productie van Ethan Johns altijd garant stond voor de slagroom op de taart, moet God Willin' & The Creek Don't Rise het hebben van de spontaniteit en het ontspannen gevoel van Ray LaMontagne’s debuut als producer. Het is een heel klein smetje op een desondanks nog altijd bovengemiddeld goede plaat. Erwin Zijleman
Mount Kimbie, het Britse duo Kai Campos en Domenic Maker, debuteert met Crooks & Lovers. De plaat is een kruispunt van dubstep, beats, soul, ambient en funk, maar ondanks die vergaarbak aan ideeën komt hun album absoluut niet over als versnipperd of onsamenhangend. Dat het alle kanten op gaat in sfeer en tempo is eerder een plus dan een bezwaar.
De plaat is opgedeeld in korte fragmenten, waar de genres moeiteloos in elkaar lijken over te vloeien. De structuur van het album komt het best tot zijn recht als je het in zijn geheel beluistert. Dan ontdek je om elke hoek een nieuwe verrassing. Die variatie maakt Crooks & Lovers juist zo interessant. De verslavende werking is groot, mede door de prettige dromerige sfeer die overal heerst.
De lengte, met ruim een half uur van korte duur, is hooguit een minpuntje. Crooks & Lovers voelt aan als een voorstudie voor groter kunstwerk en doet verlangen naar meer.
schrijver/bron: Volkskrant, 26-08-2010 | toegevoegd op 26-08-2010
Na Blinking Lights And Other Revelations uit 2005 moesten we ruim vier jaar wachten op een nieuwe studioplaat van Eels, maar sindsdien strooit Mark Oliver Everett (roepnaam: E) bijna met platen. Het nu verschenen Tomorrow Morning voltooit de trilogie die een jaar geleden werd gestart met Hombre Lobo: 12 Songs of Desire en eerder dit jaar een vervolg kreeg met End Times. Hombre Lobo: 12 Songs of Desire en End Times waren nogal verschillende platen. Hombre Loco was een positief klinkende plaat met aan de ene kant een aantal ingetogen maar voor Eels begrippen opvallend lichtvoetige popsongs en aan de andere kant een aantal bijzonder rauwe rock- en bluessongs. End Times was daarentegen een aardedonkere plaat met bijna verstilde en van melancholie overlopende songs. Ook in thematisch opzicht waren de twee platen elkaars tegenpolen. Waar Mark Oliver Everett de liefde bezong op Hombre Loco, stond End Times in het teken van een beëindigde relatie. Mark Oliver Everett heeft de liefdesbreuk kennelijk snel overwonnen, want na één van de meest indringende breakup-platen die ik ken, komt Eels nu op de proppen met een behoorlijk opgewekte plaat: Tomorrow Morning. In tekstueel opzicht staan de twee platen lijnrecht tegenover elkaar, maar ook in muzikaal opzicht zijn er grote verschillen tussen End Times en Tomorrow Morning. Waar End Times uiterst sobere klanken liet horen en feitelijk een soloplaat van Mark Oliver Everett was, is Tomorrow Morning weer een echte bandplaat, waarop een voorname rol voor elektronica is weggelegd. Op Tomorrow Morning is veel aandacht besteed aan de arrangementen en wordt meer dan ooit gekozen voor behoorlijk uitbundige arrangementen. Naast flink wat elektronica draaft een vrouwenkoortje op en als Eels dan ook de xylofoon weer uit de kast haalt, weet je waar Tomorrow Morning je aan doet denken. Op Tomorrow Morning keert Eels deels terug naar het geluid van haar debuut Beautiful Freak. Storend is dat overigens niet, want Tomorrow Morning heeft weliswaar raakvlakken met het volgend jaar al weer 15 jaar oude debuut van de band, maar klinkt ook duidelijk anders en is daarom veel meer dan Beautiful Freak 2.0. Na het duidelijk anders klinkende Hombre Loco en het indringende End Times is Tomorrow Morning een plaat die in eerste instantie vooral vermaakt, maar het is vermaak van hoog niveau. Eels levert in een jaar tijd derhalve drie uitstekende platen af, wat maar weinig bands gegeven is. Het onderstreept nogmaals de klasse van Mark Oliver Everett. Erwin Zijleman
De carrière van David Gray verloopt tot dusver bijzonder grillig. Zijn eerste drie platen krijgen totaal geen aandacht en verkopen daarom nauwelijks, maar met White Ladder groeit Gray vervolgens in no time uit tot de lieveling van de critici en een groot publiek, om met de platen die volgen vrijwel alle gewonnen sympathie weer net zo makkelijk te verspelen. Eerlijk gezegd begrijp ik daar niets van. In mijn ogen is David Gray geen muzikant met slechts één goede plaat, maar is het een muzikant die de afgelopen 7 jaar een indrukwekkend en behoorlijk constant oeuvre heeft opgebouwd. Waar David Gray bij de critici geen goed meer kon doen na White Ladder, leverde hij wat mij betreft met A New Day at Midnight (2002), Life in Slow Motion (2005) en Draw the Line (2009) drie platen af die niet of nauwelijks onder deden voor White Ladder. Het zijn platen die voortborduurden op White Ladder, maar veel meer deden dan slechts het reproduceren van het succesvolle geluid van deze zo bewierookte plaat. David Gray nam na Life In Slow Motion flink de tijd voor Draw The Line, maar keert nauwelijks een jaar na het verschijnen van deze plaat al weer terug met een nieuwe plaat. Foundling bestaat uit twee cd’s en bevat in totaal 19 tracks, die grotendeels uit de Draw The Line sessies komen. Toch is Foundling geen logisch vervolg op Draw The Line. Foundling is David Gray’s meest ingetogen plaat in jaren en moet het doen zonder de impulsen uit de elektronica die zijn vorige platen een modern en hitgevoelig geluid gaven. Foundling is wat meer een singer-songwriter plaat die vertrouwt op Gray’s stem en zijn vermogen om aansprekende en doorleefde songs te schrijven. De instrumentatie is met name op het eerste deel van de plaat sober maar spannend en geeft de herkenbare en wat betreft hele mooie stem van David Gray alle ruimte. Waar David Gray sinds White Ladder kon varen op speelse elektronica, staat hij er op Foundling weer alleen voor. Er zijn niet veel songs voor nodig om te concluderen dat David Gray in deze soberdere setting eigenlijk veel beter tot zijn recht komt. Foundling staat vol wonderschone popsongs die aan de ene kant klinken zoals je dat van David Gray verwacht, maar die aan de andere kant laten horen dat David Gray veel meer kan dan zijn vorige platen suggereerden. Natuurlijk zitten er tussen de 19 songs op Foundling wel een aantal die net wat minder indruk maken, maar de meeste songs op David Gray’s nieuwe plaat weten te overtuigen en te betoveren. De critici zullen het wel weer niks vinden en ook de meeste fans van White Ladder zullen niet terugkeren op het oude nest, maar de enkeling die de tijd zal nemen voor Foundling zal alleen maar kunnen concluderen dat David Gray zijn beste plaat tot dusver heeft gemaakt. Erwin Zijleman
Sinds het moment dat Catching A Tiger van ene Lissie in de cd-speler zit, ben ik fan van de blonde Amerikaanse singer-songwriter die op de cover van haar tweede plaat zowel stoer als wanhopig in de camera kijkt. Lissie wordt in haar vaderland vooralsnog genegeerd en ook in Nederland ligt Catching A Tiger nog niet in de winkel, maar in het Verenigd Koninkrijk spreekt men inmiddels van een ware sensatie. En terecht! Lissie maakt op Catching A Tiger geweldige muziek die in de hokjes folk en altcountry past, maar die ook uitstapjes richting pop en rock niet schuwt. Waar Lissie op haar debuut (feitelijk een EP) nog voornamelijk koos voor wat droevige country, waarmee ze in de voetsporen van Patsy Cline leek te treden, kiest ze op Catching A Tiger voor een vrolijker en lichtvoetiger geluid dat zich bevindt op het snijvlak van folk, pop en rock. Het is een keuze die met name in rootskringen niet door iedereen gewaardeerd zal worden, maar mij heeft Lissie absoluut te pakken. De songs op Catching A Tiger vallen op door een nogal vol klinkende productie, die afwisselend wordt verzorgd door Jacquire King (bekend van Kings Of Leon, Norah Jones), Bill Reynolds (bekend van The Avett Brothers), Julian Emery (bekend van McFly) en Ed Harcourt (bekend van Ed Harcourt). Deze productie doet de talenten van Lissie niet altijd evenveel recht, want de zwoele en emotievolle vocalen van de Amerikaanse gedijen wat mij betreft beter in een sobere productie dan in een productie waarin Phil Spector naar de kroon wordt gestoken. De wat meer ingetogen songs op Catching A Tiger hebben dan ook mijn voorkeur, al klinken de wat voller klinkende songs wel zo lekker dat Lissie er met gemak mee weg komt. Lissie’s belangrijkste wapen is haar veelzijdige stem, die net zo krachtig kan klinken als die van Neko Case en net zo verleidelijk als die van Hope Sandoval. Het is een stem die in combinatie met de lekker in het gehoor liggende maar ook puur en oprecht klinkende songs vrijwel onweerstaanbaar is. Belangrijkste vraag na beluistering van Catching A Tiger is wat mij betreft of Lissie op haar volgende plaat kiest voor een bestaan als popprinses of rootskoningin of dat ze van beide walletjes blijft eten. In alle drie de gevallen zal het een plaat opleveren die er toe doet. Iets wat ook zeker geldt voor het even fraaie als verwarmende Catching A Tiger. Erwin Zijleman
Isobel Campbell probeerde het na haar vertrek uit Belle & Sebastian met een nieuwe band (The Gentle Waves) en solo, maar trok toch vooral de aandacht met de platen die ze maakte met Mark Lanegan (Screaming Trees, Queens Of The Stone Age, The Gutter Twins, Soulsavers). Campbell en Lanegan maken inmiddels zo’n vier jaar platen en zijn na Ballad Of The Broken Seas uit 2006 en Sunday At Devil Dirt uit 2008 al weer toe aan hun derde duo plaat. Met hun eerste twee platen groeiden de Schotse zangeres en de Amerikaanse zanger uit tot de Nancy Sinatra en Lee Hazlewood van deze tijd; een vergelijking die ook op Hawk weer een aantal malen nauwelijks te onderdrukken zal zijn. Het is aan de andere kant een vergelijking die slechts ten dele op gaat, want ook op Hawk zijn Isobell Campbell en Mark Lanegan weer akelig veelzijdig. Invloeden uit de country, blues en folk worden moeiteloos afgewisseld met invloeden uit de jazz, soul, gospel, rock en pop en in al deze genres kunnen Isobel Campbell en Mark Lanegan uitstekend uit de voeten. Ook op Hawk tekent Isobell Campbell voor de songs en de productie, maar zonder Lanegan kan ze nog altijd niet. Het is het contrast tussen de zwoele vocalen van Isobell Campbell en de doorleefde strot van Mark Lanegan dat de vaak stemmige songs op Hawk iets extra’s geeft en ondanks het feit dat het recept inmiddels bekend is, sorteert ook de derde plaat van het tweetal weer maximaal effect. Net zoals op Ballad Of The Broken Seas en Sunday At Devil Dirt maakt Isobell Campbell ook op Hawk weer geen geheim van haar grenzeloze bewondering voor Bob Dylan, al wordt dit keer ook Townes van Zandt nadrukkelijk geëerd met maar liefst twee covers en heeft Hawk ook meer dan eens raakvlakken met de muziek van Leonard Cohen. Omdat Mark Lanegan’s agenda het afgelopen jaar overvol zat, heeft Isobell Campbell voor een tweetal tracks een beroep moeten doen op de Amerikaanse singer-songwriter Willy Mason. Mason doet dit niet onverdienstelijk, maar het is geen Mark Lanegan. Het zijn de songs waarin Mark Lanegan een hoofdrol speelt, met het buitengewoon soulvolle en meeslepende Come Undone en het stuwende Get Behind Me als hoogtepunten, die de meeste indruk maken en ze zijn stuk voor stuk wonderschoon. Hawk is een broeierige, stemmige en gepassioneerde plaat met zang om van te watertanden, een instrumentatie om je vingers bij af te likken en veelzijdige songs die voorlopig niet gaan vervelen. Het is dan ook te hopen dat de geruchten over een op handen zijnde breuk tussen Campbell en Lanegan nergens op gebaseerd zijn. Van platen als Hawk mogen er wat mij betreft immers nog veel en veel meer gemaakt worden. Erwin Zijleman
Funeral, het debuut van Arcade Fire, eindigde vorig jaar hoog in vrijwel alle lijstjes die terugblikten op de eerste tien jaar van het nieuwe millennium. Hier valt weinig tot niets op af te dingen; Funeral is zes jaar na de release nog altijd een plaat met ongelooflijk veel impact. Opvolger Neon Bible maakte drie jaar later heel wat minder indruk, maar dat had achteraf bezien weinig te maken met de kwaliteit van de plaat. Waar Funeral uit het niets een nieuw geluid liet horen dat langzaam maar zeker de wereld veroverde, was Neon Bible de plaat van een gearriveerde band die moest vechten tegen irrealistisch hoge verwachtingen. Drie jaar na het onterecht als teleurstelling in de boeken opgenomen Neon Bible is Arcade Fire terug met The Suburbs. Ook dit keer zijn de verwachtingen hoog, maar dit keer maakt de band de verwachtingen meer dan waar. Waar Arcade Fire op Neon Bible koos voor een geluid dat nog voller, chaotischer en donkerder was dan dat op Funeral, is The Suburbs een veel minder zware plaat. The Suburbs opent met een bijna lieflijke popsong die opvalt door een voor Arcade Fire begrippen angstig lichtvoetig arrangement met een hoofdrol voor de piano. Het duurt een aantal tracks voordat Arcade Fire op de proppen komt met een song die herinnert aan de vorige platen van de band, maar hierna keert de band al weer snel terug naar het veel minder zware geluid van de eerste songs. The Suburbs is een conceptplaat over het opgroeien in een voorstad van Houston en keert in muzikaal opzicht terug naar de jongere jaren van de leden van de band. Het leed van Funeral en de woede van Neon Bible hebben plaats gemaakt voor nostalgie en melancholie. The Suburbs doet me meer dan eens denken aan de nogal verschillende platen die David Bowie in de jaren 70 maakte, maar heeft af en toe ook wat The Beatles, Bruce Springsteen en zeker ook Radiohead ten tijde van The Bends en OK Computer en Depeche Mode in haar meest geïnspireerde dagen. Hiernaast is Arcade Fire gelukkig ook zichzelf gebleven. Hoewel The Suburbs over het algemeen genomen een stuk toegankelijker is dan zijn voorgangers, is ook de nieuwe cd van Arcade Fire weer een plaat die je nog lange tijd zal verrassen en je heen en weer slingert tussen heel verschillende emoties. Heel even heb ik het apocalyptische karakter van de eerste platen van de band gemist, maar vervolgens ben ik snel beneveld door de prachtige songs op The Suburbs, betoverd door de opvallend fraaie vocalen van Win Butler en Régine Chassagne en overtuigd door de bijzonder hoge kwaliteit van de derde plaat van de band uit Montreal. Met The Suburbs heeft Arcade Fire zich niet alleen opnieuw uitgevonden, maar heeft het bovendien een plaat gemaakt die zich kan meten met Funeral en hiermee met vrijwel alle andere platen die de afgelopen tien jaar zijn verschenen. Menig muziekcriticus sprak de afgelopen maand nog over een mager muziekjaar 2010. Met The Suburbs is dit wat mij betreft in één keer veranderd. Arcade Fire heeft met The Suburbs een in alle opzichten briljante plaat gemaakt waar niemand, maar dan ook niemand omheen kan. Erwin Zijleman
Zo heel af en toe is er een plaat die binnen een paar minuten een onuitwisbare indruk weet te maken. Het is vaak een plaat waarvan je niet zo heel veel verwacht, maar die je vervolgens verplettert. The Trinity Sessions van Cowboy Junkies is zo’n plaat. The Trinity Sessions verscheen 22 jaar geleden, maar ik weet het nog als de dag van gisteren. Op basis van de naam van de band rekende ik op smerige garagerock of kille new wave, maar ik kreeg iets heel anders. Het korte en a capella Mining For Gold zorgde voor de verbazing, waarna Misguided Angel, Blue Moon en I’m So Lonesome I Could Cry zorgden voor een onwaarschijnlijke hoeveelheid kippenvel op een mooie zomerdag. 22 jaar later is The Trinity Sessions nog altijd een plaat van een bijna onwerkelijke schoonheid, maar het is ook de plaat die nog altijd als een molensteen om de nek van de Cowboy Junkies hangt. De Canadezen maakten sinds 1988 nog een flinke stapel platen, waaronder prima platen als The Caution Horses (1990) en Pale Sun, Crescent Moon (1993), maar de magie van The Trinity Sessions keerde nooit meer terug. De afgelopen jaren maakten de Cowboy Junkies vooral live-platen, waaronder een maar gedeeltelijk geslaagde remake van The Trinity Sessions, maar met het nu verschenen Renmin Park ligt er eindelijk weer eens een studioplaat van de band in de winkel. Renmin Park opent nogal bombastisch met een protserige fanfare, Chinese muziek en getoeter van auto’s, maar keert vervolgens snel terug naar het vertrouwde Cowboy Junkies geluid. Opener Renmin Park is een typische Cowboy Junkies song met lome en indringende klanken en nog altijd geweldige stem van Margo Timmins. Nadat de straatgeluiden zijn teruggekeerd volgt een wat rauwe en bluesy track die laat horen dat Margo Timmins niet alleen zwoel, maar ook rauw kan klinken. In de tracks die volgen blijven de Cowboy Junkies schakelen tussen nieuwe wegen en het vertrouwde geluid van de band. Lome tracks met vooral invloeden uit de folk en country worden afgewisseld met tracks waarin de band voor haar doen behoorlijk stevig rockt, maar ook invloeden uit de blues en zelfs de triphop en de Chinese muziek worden niet geschuwd. Desondanks is Renmin Park een echte Cowboy Junkies plaat. Ook met Renmin Park zal de band The Trinity Sessions niet weten te overtreffen, maar een betere plaat dan Renmin Park hebben de Cowboy Junkies sinds The Trinity Sessions niet meer gemaakt. Waar de Cowboy Junkies sinds 1988 werden verlamd door de molensteen om hun nek, hebben ze deze molensteen nu eindelijk afgeworpen. Op Renmin Park klinken de Cowboy Junkies bevrijd, geïnspireerd en gedreven. Renmin Park is een prachtige en gevarieerde plaat die fraai laat horen hoe goed de Cowboy Junkies binnen en buiten hun comfort zone zijn. Het sterkste wapen van de band blijft toch de geweldige stem van Margo Timmins, maar ook in muzikaal opzicht valt er op Renmin Park veel te genieten, zeker wanneer Michael Timmins zich mag uitleven met geweldig gitaarwerk. In 1988 leverden de Cowboy Junkies hun beste prestatie tot dusver, maar ook Renmin Park is wat mij betreft goed genoeg voor de hoogste trede van het erepodium. Voor de voetballiefhebbers onder ons hoop ik dat het Nederlands elftal deze unieke prestatie weet te herhalen de komende maand. Als dat niet mocht lukken biedt het wonderschone Renmin Park wat mij betreft meer dan voldoende troost. Erwin Zijleman
Letwel: dit is slechts een kleine selectie van het totale assortiment dat we
aanbieden.
Niet gevonden wat je zocht? probeer dan
eens uitgebreid
te zoeken.